Kinderen, op een bepaalde leeftijd stellen ze plots vragen van het soort complexiteit waarvan je een punthoofd zou krijgen. Mijn neefje zit volop in die vraagfase en tijdens onze busrit op weg naar Antwerpen, draait hij zich naar me toe en zegt bloedserieus: “Tante Vera, waarom legt de paashaas eieren? Die komen toch van de kippen hé?” Ja, daar sta je dan met je mond vol tanden. Hoe in godsnaam ga ik daar op antwoorden, flitste het door mijn hoofd. Ik wist meteen dat niet antwoorden geen optie was. Mijn neefje is een doorbijtertje, een echte pitbull die van geen ophouden wil weten. Het woordje waarom, galmde al als een onophoudelijke echo door mijn hoofd. “Weet je wat”, zeg ik heel pedagogisch verantwoord, “we vragen het aan Dr. Google.”
Zo gezegd, zo gedaan. Terwijl de halve bus meeluisterde, begon ik aan mijn geïmproviseerde voordracht:
- over eieren als symbool voor de lente en nieuw leven
- over de vliegende klokken die vroeger de paaseieren brachten
- en hoe de haas die job, als bezorger van de eitjes, dan later heeft overgenomen
- dat die paashaas enkel eieren brengt naar kindjes die zich lief en netjes gedragen, stoute kinderen krijgen immers geen eitjes
- en ook dat echte eieren inderdaad van kippen komen en stukken gezonder zijn dan chocolade exemplaren
En zo bleef ik vertellen, de hele busrit lang. Tijdens mijn verhaal vuurde mijn neefje onophoudelijk vragen op mij af. De passagiers op de bus werden meegezogen in ons gesprek en zaten de hele tijd heimelijk te gniffelen. Wanneer ik eindelijk uitverteld was, keek mijn neefje me aan met die iconische pruillip van hem. Een cliffhanger, waar de onderlip van Jolly Jumper een puntje aan kan zuigen. En toen kwam het: “Ik heb toch liever eieren van de paashaas, hoor. Die zijn tenminste van chocolade.”
Op dat moment besef je, kinderlogica is soms toch zo heerlijk simpel.

