Het nieuwe jaar is amper een maand oud, maar de goede voornemens bij de collega’s zijn duidelijk al gesmolten als sneeuw voor de zon.
Je opent de deur van de vergaderzaal en daar staat een leger verlaten vuile koffiekopjes. Uitgeknepen theezakjes die tegen de rand van de tafel kleven, een half opgegeten koekje waarvan niemand de eigenaar blijkt te zijn en andere achtergelaten troep. En de vergaderaars? Die zijn er in alle stilte vanonder gemuisd.
Als je bij het opruimen de koelkast opent, blijft je blik plots plakken op yoghurtpotjes die zich al op pensioenleeftijd bevinden. Tot overmaat van ramp ligt er nog een stuk fruit met een schimmelpruik die het schaamteloos beter doet dan het beste haarstukje van Lodewijk XIV.
Wanneer alles weer opgeruimd en netjes is, ga je nog even die documentjes op de printer halen.
Blijkt dat het papier weer op is. Je denkt, ben ik nu werkelijk de enige in heel dit bedrijf die weet hoe dit werkt, terwijl je een stapeltje papier in de machine legt.
De meest irritante vraag die je trouwens aan een management assistant kan stellen is: “Maar wat doe jij toch in godsnaam de hele dag?”
Maar laatst hadden we een buitenlandse collega op bezoek die netjes zijn kopje en schoteltje in de vaatwasser ging plaatsen. Ik werd ter plekke van mijn sokken geblazen, zelden meegemaakt. Een luid en welgemeend dankjewel ontglipte mij. Waarop hij met een knipoog zei: “Mijn vrouw heeft mij goed opgevoed”.
Jawel, collega’s er is nog hoop op beterschap. Maar ik vrees wel dat we er zelf voor gaan moeten zorgen …
